Nieuwsarchief

 

Gezond paard is meer dan goud waard

PORTRET, Door Mark Misérus op 20 maart '10, 00:00, bijgewerkt 22 maart 2010 16:59

Een leven in het zadel was voor Piet Raijmakers (53) vooral een leven in dienst van zijn paarden. Nu hij is gestopt, wil hij zijn zoons meegeven wat in de dieren omgaat. ‘Er zijn bij de Spelen van Barcelona wereldpaarden mentaal geknakt.’

Twee keer neemt Piet Raijmakers (53) afscheid van de paardensport. Bij de manege waar hij de kneepjes van het vak leerde, wachtte hem vorige week in Asten een menselijk adieu in kleine kring. En op verzoek van toernooidirecteur Swinkels zwaait de springruiter komende week ook in sportieve zin af voor het grote publiek, tijdens Indoor Brabant.

Het had van hem niet gehoeven. ‘Swinkels belde me op en zei: we kunnen dit niet stilletjes voorbij laten gaan, je bent een echte Brabander.’ Ik wilde gewoon een leuk feestje hier in Asten, met de mensen die me door de jaren heen trouw hebben gesteund. Eric van der Vleuten deed op mijn verzoek een woordje. We zijn tenslotte 35 jaar met elkaar opgetrokken.’

Uiteindelijk gaf de winnaar van het olympisch teamgoud van Barcelona ook zijn ja-woord aan Indoor Brabant. ‘Maar ik ga niet meer over oxers springen. De sport is over, klaar, uit.’

Vorig jaar kwam de Brabander ten val tijdens een concours. Zijn schouderspier bleek voor 80 procent gescheurd. Hij had de keuze tussen een operatie en een natuurlijke genezing, met behulp van therapie. Het werd het laatste. Zeven maanden later was hij hersteld. ‘En ik ben er nog aan beide kanten beter door geworden ook.’

Zijn blessure gaf het laatste zetje bij het toch al naderende afscheid. Hij was steeds minder vaak op een concours te zien en liet zijn zoons Joep en Piet junior de honneurs waarnemen. Maar hij zou nooit een punt achter zijn loopbaan hebben gezet als hij niet zeker wist dat zijn paarden in goede handen zijn bij zijn natuurlijke opvolgers.
Raijmakers: ‘Ik heb er vrede mee het aan ze over te dragen. Ze voelen dat ze het kunnen en krijgen nu een kans die ik ze niet wil afnemen. Maar had ik hen niet gehad, was ik door blijven rijden.’

In een wereld waarin het grote geld ondanks de crisis is blijven rollen, heeft Raijmakers altijd zijn hart gevolgd. Misschien is er geen ruiter die zich zo bekommert om het lot van de paarden als hij. Voor hem zijn de dieren de sterren, niet de ruiters.

Achttien jaar later kan hij zich nog opwinden over het olympisch parcours dat in Barcelona was opgetrokken. Hij zag het meteen toen hij te voet de afstanden tussen de hindernissen opmat. Te hoog, te breed, technisch te veel gevraagd voor de paarden. Verontwaardigd stapte hij op de parcoursbouwer af, die van kritiek echter niets wilde weten.
Dat hij gelijk kreeg, noemt Raijmakers in zijn stallencomplex in Asten achteraf niet meer dan een logische optelsom van wat hij had gezien. ‘Er zijn daar wereldpaarden mentaal geknakt. Het sloeg nergens op. De 100 meter hardlopen is 100 meter, ook geen 120.’

Op zijn merrie Ratina Z bleef hij foutloos, maar bleek hij 0,25 seconde te langzaam voor het goud. Raijmakers, die met Jan Tops en Jos Lansink even daarvoor al goud had gewonnen, wilde geen risico nemen met de laatste hindernis en liet Ratina Z wat op adem te komen. Dat hij er misschien de titel door de vingers heeft laten glippen, doet hem nog steeds niets.

Hij wijst naar de muur met prijzen in de kantine. ‘Wat had ik dan gemoeten? Ik had het mezelf nooit vergeven als daar een gouden plak had gehangen en er een kapotte knol in de wei had gestaan.’

Raijmakers zegt in Barcelona, bij zijn eerste en enige Spelen, alleen aan het welzijn van zijn rijdier te hebben gedacht. Dezelfde verontwaardiging van toen is weer leesbaar op zijn gezicht. ‘Het is simpel. De dag dat een paard weet: ik kan niet over deze hindernis heen, is het einde verhaal.

‘Je moet zo’n dier nooit het gevoel geven dat het iets niet kan. Dat is daar wel gebeurd bij alle paarden die opgaven. Er waren erbij die blind de ring inreden en hun dier over de kop hebben geholpen. Wij kunnen het elkaar wel uitleggen, maar een paard begrijpt het niet als ik tegen hem zeg: vriend, dit was iets eenmaligs, de volgende keer spring je er wel overheen.’

Als kind was hij al niet weg te slaan bij de boeren in de buurt. ‘Er waren er twee die wilde pony’s uit Engeland importeerden. Moeilijk voor hen, maar ik ging er met plezier op zitten. Keer op keer vloog ik er vanaf, maar binnen een week waren ze zo mak als een hondje.’

Raijmakers merkte al vroeg dat hij gevoel had voor de dieren, al duurde het even voordat hij besefte dat anderen hem vol bewondering gadesloegen. ‘Dan zag de boer me op de grond zitten en vroeg hij waarom ik dat deed. Omdat ze dan wel naar me toekomen, zei ik. Ik was een natuurtalent, maar dat had ik pas later in de gaten.’
De paarden waren voor Raijmakers, kind uit een boerengezin van negen, zijn lust en zijn leven. Zijn oudste broer voetbalde, maar hij nam liever met zijn zus les bij de ponyclub. Dat mocht van zijn ouders. Een keer per week voor een kwartje, evenveel als ze aan zijn voetballende broer kwijt waren.

‘Dag en nacht met ze werken was mijn droom. Ik had nooit van concoursen gehoord of erover nagedacht dat je geld kon verdienen met de sport, dat kwam later pas. Als ik het niet als ruiter had gered, was ik groom geworden of verzorger.’

Al op zijn 14de hield Raijmakers het op de lts voor gezien. ‘Ik vond leraren maar domme mensen: ze vroegen elk antwoord aan mij. Een domme redenering natuurlijk, maar ik wilde zelf bepalen wat ik doe. Dus werd ik het knechtje van de hoefsmid. Ik ben als ruiter geëindigd, maar in mijn hart ben ik altijd boer gebleven.’

Fluitend reed Raijmakers de trailer naar wedstrijden in Helsinki, Lissabon of La Baule. Die ene keer dat zijn vrouw Dorry hem eindelijk zover kreeg op vakantie te gaan, zat hij na tien dagen rechtop in zijn ligstoel. ‘We waren in Mexico en hadden nog vier dagen te gaan. Ik zei tegen haar: ik moet terug. Terug naar mijn paarden.’

Zijn vrouw begreep het. Dat moest ook wel, want er viel toch niet met hem over te praten. ‘Op vakantie ben ik zo lui als een varken, dan voer ik geen donder uit. Maar eerst moest ik wel aan het idee wennen dat ik niet bij de paarden kan zijn. Ik kan het ook niet verklaren. Zo sterk zit dat in me.’

Het idee dat steenrijke sponsors en ruiters de dieren steeds vaker als handelswaar beschouwen, doet hem gruwen. Hij kent ze wel, de Arabieren, Zuid-Amerikanen en Oost-Europeanen die een kampioenspaard opkopen als garantie voor snelle successen. ‘Maar na een paar jaar hebben die mensen vrachten geld weggegooid en zoeken ze een ander hobby. Rallyrijden of golfen, zoiets.’
Raijmakers werd gelukkig altijd in de rug gedekt door zijn sponsors: bouwgroep Jo van Schijndel, ondernemer Leon Melchior en de Rotterdamse havenbaron Willem Cordia. Die keren dat hij toch een paard van de hand moest doen omdat het bod simpelweg niet te negeren viel, zijn nooit slecht voor hem uitgepakt.

Ludger Beerbaum bleef winnen op de rug van Ratina Z, maar de viervoudig olympisch kampioen kon met zijn aanwinst de successen van haar vorige berijder niet evenaren. ‘Daar ben ik trots op. Kennelijk raak ik toch een snaar bij die beesten.’

Zijn zoons wenst hij wel alle succes toe. Hoe meer ze winnen op zijn voormalige prijsdieren, hoe meer ook Raijmakers geniet. Maar hij vindt het veel belangrijker dat ze naar de paarden omkijken en proberen met ze mee te voelen.

‘Ze hebben negentien jaar lang nooit gezegd verder te willen in de paarden. Ze keken er wel naar om en waren vaak op stal. Maar ik kan me ook goed indenken dat het niveau waarop ik reed, ver weg voor ze was. Ik heb ze ook nooit gepusht mij achterna te gaan. Ze hebben nog de nationale jeugdselecties gehaald met ijshockey en Joep ook met mountainbiken. En ineens leek ze zo’n carrière als die van mij ook wel wat.’

Beiden trekken tegenwoordig al jaren zelfstandig de wereld over voor hun sport. Maar de bemoeienis van hun vader zullen Piet (27) en Joep (25) nog wel even moeten doorstaan. ‘Ik heb 37 jaar ervaring, zeg ik ze dan. Ik heb ook veel fouten gemaakt, maar daarvan leer je het meest. Als ik ze bezig zie, voel ik voor 99 procent wat zij voelen. Geef het paard even lucht, zeg ik dan bijvoorbeeld.
‘Ik wil ze per paard laten voelen wat hij geeft en doet voor je. ‘Ja maar’, zeggen ze meestal terug. Maar aan het eind heb ik toch weer goed voorspeld hoe hun paard zou reageren.’ Lachend: ‘Tegenwoordig protesteren ze al bijna niet meer als ik wat roep.’
 

   
   




 

 
         

Copyright © Team Raijmakers  |     Realisatie website: Creativos Reclame & Events